Wat vragen over de Kang Xi-editie beantwoord

Richard Wilhelm schrijft in zijn inleiding dat zijn Yijing-vertaling is gebaseerd op de editie zoals die tijdens keizer Kang Xi (1662 – 1723) tot stand kwam: de Zhouyi Zhezhong, ‘de Zhouyi volgens het gouden midden’. ‘Zhouyi’ is de oude naam van de Yijing, ‘zhezhong’ betekent zoveel als ‘de middenweg’, ‘compromis’. Ook James Legge schrijft dat zijn vertaling op deze editie is gebaseerd. Er zijn nog wel eens wat misverstanden over de inhoud van deze ‘paleiseditie’; zo merkte iemand eens op dat dit boek álle commentaren vanaf de Han-dynastie (206 v. Chr.) t/m de tijd van Kang Xi bevatte. Dat is nogal overdreven, want dat zou een boek produceren van vele honderden delen. Het is echter wél zo dat in dit boek stukken van de belangrijkste commentaren zijn opgenomen. Verder lezen

De Vraag

Ik krijg regelmatig de vraag “Is het nou echt nodig om een vraag te hebben als je de Yijing raadpleegt? Bij Tarot hoeft dat niet, dan kan je gewoon de kaarten leggen zonder een vraag.”

De Yijing werkt toch iets anders. Om dat uit te leggen duiken we even in de Chinese cultuur.

Yin en yang
Het dualisme vormt de basis van het Chinese wereldbeeld. Het beginsel dat het universum, maar ook elk onderdeel daarvan valt op te delen in een yin- en een yang-kant, is waarschijnlijk meer dan 2500 jaar oud. Yang is de actieve kracht, we vinden hem terug in alles wat beweegt, licht en creatief is. Yin is zijn tegenpool, en zij manifesteert zich in het stilstaande, donkere en zware. Yang geeft, yin neemt. Yang is de zon, en de maan is yin, die het licht van de zon ontvangt. Yang kan niet zonder yin, en andersom bestaat ook niet. Als er yin is moet er ook yang zijn, want zonder yang valt yin niet eens te benoemen.

De taal
Dit principe doordrenkt de hele Chinese cultuur. Het is verbonden met de verhoudingen tussen man en vrouw, heerser en onderdaan, leraar en leerling, mens en natuur. Ook bij deze verhoudingen kan de één niet zonder de ander. Ook in de Chinese taal is dit principe cruciaal. De gesproken taal bestaat uit losse lettergrepen, en elke lettergreep heeft zijn eigen betekenis. Het aantal lettergrepen in het Chinees is echter nogal beperkt, wat er toe leidt dat een lettergreep meerdere betekenissen heeft. Zeg tegen een Chinees ‘ma‘ en hij zal niet weten wat je bedoelt, want ‘ma‘ heeft veel betekenissen.
Bij de geschreven taal is dat niet veel anders. Het schrift kent karakters, en elk karakter heeft zijn eigen vaste set betekenissen. Bij veel karakters is de betekenis wel duidelijk – het karakter voor ‘paard’ betekent dat en niets anders, maar bij nog veel meer karakters is de betekenis niet voor de handliggend. Om werkelijk te weten welke betekenis van een karakter of lettergreep bedoeld wordt, is context nodig.

Context
Je geeft een karakter of woord context door er iets omheen te bouwen. Als ik tegen je zeg ‘bel’, dan weet je niet wat ik bedoel. Ik kan het hebben over een fietsbel, een deurbel, een luchtbel, of ik commandeer je te telefoneren: “bel!”. Het is voor jou maar raden naar mijn bedoeling. Zeg ik tegen je ‘fietsbel’, dan is het al wat duidelijker: het woord ‘bel’ heeft context gekregen. Wat ik dan met die fietsbel wil is nog steeds niet duidelijk, daar is meer context voor nodig, zoals “mijn fietsbel is kapot”.

De Yijing
Met de Yijing is het niet anders. De hexagrammen en de tekst hebben, net als de lettergrepen en karakters in het Chinees, veel betekenissen. Welke betekenis voor jou van toepassing is weet je pas als je het hexagram context geeft. Door het geven van context laat je de betekenis oplichten die voor jou van toepassing is. En die context verleen je door het stellen van een vraag. Vraag en antwoord zijn elkaars context, zij zijn elkaars yin en yang. Zonder de vraag is de Yijing zeker niet minder interessant, maar worden de antwoorden algemener en moeilijker te duiden. Zonder vraag is het aan jóu om te bepalen op welk facet van je leven het antwoord betrekking heeft: jíj bepaalt de context. Mét vraag hoef je die keuze niet te maken. Daarom is de Yijing raadplegen met een vraag de beste start voor beginnende Yijingers. Ben je wat meer thuis in de Yijing en hoe je de antwoorden kan interpreteren, dan kan je dit uitgangspunt geleidelijk loslaten. Zie over de voordelen van het raadplegen zónder vraag dit artikel in m’n oude weblog.

Chuppies

(Deze column heeft eerder, in iets gewijzigde vorm, gestaan in het blad Genoeg okt. 1998.)

Wie door China trekt, en grote steden als Beijing of Shanghai aandoet, loopt vroeg of laat gegarandeerd tegen een chuppie aan. En wie er op gaat letten ziet ineens overal chuppies: je ziet ze op het terras, in het Westers aandoende winkelcentrum, en in de discotheek. We hebben het hier niet over de befaamde lolly die een soortgelijke naam draagt, hoewel er wel enige overeenkomst is: net als het snoepgoed zijn chuppies doorgaans opvallend gekleed en liggen ze goed in de markt. Een chup is de Chinese yup van vandaag. Want wat twintig jaar terug niet kon, niet mocht en werd afgekeurd, is vandaag de nieuwste rage: laten zien dat je met bakken geld verdient. Rijkdom is in. Dat op zich is niets nieuws, want een Chinees en geldelijk gewin, dat is als de fortune-cookie met de wijze spreuk – het zit er in gebakken. De God die het meeste wordt vereerd in de Chinese huishoudens is Cai-shen, de god van de rijkdom, er is geen woning in China waar hij ontbreekt. Tot 1912, het jaar dat de laatste dynastie omver werd geworpen en het Verenigde Keizerrijk een republiek werd, was voor veel lagen van de bevolking rijk worden de normaalste zaak van de wereld, hoewel dit natuurlijk niet voor iedereen was weggelegd en dan ook doorgaans met afgunst werd bekeken. Maar het mócht, en niemand die je tegenhield. Tot het communisme zijn intrede deed, want in die doctrine past geen persoonlijk bezit, laat staan geld verdienen als water. Als men wist wie het had pakte men het van ze af, en wie het had terwijl niemand het wist hield wijselijk z’n mond. En zo deed men alsof iedereen even rijk was. Maar het communisme is op z’n retour, en de oude materiële waarden van vroeger zijn weer uit de kast gehaald: er is ruimte voor de Chinese yup. Wie China altijd zag als het land van de hogere spirituele waarden, kale mediterende monniken, pittige Pekingeend en scherpe naalden, ziet niet iets wat er niet is. Maar het is maar één kant van het land, en wie beter kijkt ziet dat er achter deze dunne sluier een harde wereld verborgen ligt die draait om één ding: geld. En dat is logisch, want voor 90% van de bevolking is geld een schaars goedje, zeker nu de staat steeds minder uitdeelt en iedereen langzaamaan geacht wordt voor zichzelf te zorgen. De chuppie heeft dat goed in z’n oren geknoopt en de kunst afgekeken van het Westen, want jeetje, wat kunnen wij tussen alle voetbal-vechtpartijen en Air Miles-Bonus-Kredietkaarten goed voor onszelf zorgen. We kunnen de chup wat dat betreft niets verwijten.

Maar jammer vind ik het wel een beetje. Want de filosofische kant van China komt nu ook weer wat in het gedrang. Die leerde de mens spaarzaamheid, tevreden zijn met genoeg. In de geschriften van Zhuangzi lezen we over Yuan Xian, een spaarzaam geklede man, die in een hutje woonde vol met kleine ongemakken: een lekkend dak, een kapot raam, dat soort dingen. Confucius, toen in redelijk goeden doen, ging eens bij hem langs, maar keek verschrikt naar de staat van zijn kleding en behuizing: “Ach meester, wat ben je betreurenswaardig in deze toestand!”. Maar Yuan Xian antwoordde: “Ik heb gehoord dat wie geen geld heeft armoedig is, en dat wie niet in staat is wat hij geleerd heeft, in de praktijk uit te oefenen, betreurenswaardig is. Welnu, ik ben misschien armoedig, maar niet betreurenswaardig”.

Ik ben toch een beetje bang dat de chup straks is vergeten wie Yuan Xian was.

Yijing & Tai Chi

Ik doe nog maar net aan Tai Chi of ik wordt al tot ervaringsdeskundige gebombardeerd op het gebied van Tai Chi & Yijing. Twintig jaar Yijing (YJ) en één maand Tai Chi (TC) schijnt gezien te worden als een evenwichtige combinatie van waaruit ik al gefundeerde uitspraken zou kunnen doen. Afgezien van het feit dat mijn TC loopbaan nog veel te pril is om op dit terrein ook maar van enige ervaring te kunnen spreken, is dit een onderwerp waar vele meningen over zijn, en ik betwijfel of mijn mening daar ook maar iets zinnigs aan toevoegt. Ook mijn leraar Roel Jansen heeft zijn standpunt hierover al eens geventileerd in het oude Yijing-forum van deze site, wat op zijn zachtst gezegd leidde tot een scherpe woordenwisseling tussen hem en een TC-beoefenaar. Ik voel er weinig voor om daar ook in te verzanden, maar om verdere vragen op dit terrein voor te zijn volgt hierbij mijn visie.

Waar hebben we het over?
Om goed te kunnen kijken naar onderlinge verbanden tussen TC en YJ moeten we wel weten wat beide precies inhouden. Wat TC betreft verwijs ik graag door naar de site van mijn leraar. Wat YJ betreft kan ik het zelf wel invullen: De Yijing bevat hexagrammen met begeleidende tekst, aangevuld met latere commentaren (de Tien Vleugels). Méér is de Yijing niet. Als er verbanden moeten worden gelegd tussen iets en de Yijing, dan zal het verband op zijn minst naar één van deze onderdelen moeten wijzen.

Hoe zit dat dan met een dergelijk boekje als T’ai Chi Ch’uan and I Ching van Da Liu?
Leuk boekje waarin TC-bewegingen worden gekoppeld aan een selectie van hexagrammen. Maar de selectie is zeer subjectief en bevat geen historische grond, het is hooguit de persoonlijke visie van Da Liu. Daarnaast zijn er bij TC zoveel stromingen, dat iedere leraar andere hexagrammen zal gebruiken – zie de andere lectuur die TC en YJ uitdiept. Alleen dat al maakt een link tussen TC in het algemeen en YJ discutabel. Opmerkelijk is ook dat van de 105 pagina’s die het boekje beslaan, er maar 23 gaan over de link tussen TC en de hexagrammen.

En de acht trigrammen dan?
Vaak wordt er een verband genoemd tussen de acht trigrammen en TC. Echter, de acht trigrammen zijn niet meer dan bouwstenen van het huis Yijing, ze zijn niet de Yijing zelf. Net zoals je een hoopje bakstenen nog geen huis kan noemen, zo kan je de acht trigrammen nog geen Yijing noemen. De acht trigrammen worden in China, net als de Vijf Elementen/Fasen al eeuwenlang ge- en misbruikt om mystieke tintjes te geven aan bepaalde kunsten. Als je vond dat je zelf bedachte (krijgs-)kunst een daoïstisch sausje nodig had, dan rammelde je met de acht trigrammen en gelijk stond het in hoger aanzien. Dat is typisch Chinees, maar om te zeggen dat je door de acht trigrammen er bij te halen een verband aantoont met de Yijing gaat te ver. Want de acht trigrammen worden niet alleen bij YJ gebruikt, maar ook bij bijvoorbeeld Feng Shui en Chinese astrologie. En deze hebben ook weinig verband met YJ.

Is er dan geen énkel verband tussen TC en YJ?
Jazeker wel, beide maken gebruik van dezelfde principes. Maar die principes zijn niet van de Yijing, ze zijn hooguit ‘Yijingistisch’ te noemen. Beter is het ze ‘Chinees’ te noemen, want je vind de principes terug in elke facet van de Chinese filosofie. Ze zijn uitgebeeld in het o zo misbruikte yin-yang symbool. TC en YJ hebben in ieder geval gemeen: het belang van meegaan met veranderingen, zoals dat door dat symbool wordt uitgebeeld. Dat symbool zegt tevens ‘wat teveel is slaat om in zijn tegendeel’, en ook dat vind je terug in TC en YJ. Maar hoewel deze principes wel een brug slaan, betekent het niet dat je YJ terugvindt in TC en andersom. En zeggen dat TC is gebaseerd op YJ is al helemaal nonsens waar geen historische onderbouwing voor te vinden is.

Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat het heel leerzaam kan zijn om te zoeken naar het verband tussen TC en YJ, als het je interesseert moet je dat zeker doen. Maar zoals de schrijver André Gide ooit zei: “Believe those who are seeking the truth. Doubt those who find it”.

Leef zuinig, wordt bi!

(Deze column heeft eerder, in iets gewijzigde vorm, gestaan in het blad Genoeg dec. 1998.)

‘Consuminderen’ is een relatief nieuw werkwoord, en je beoefent het als je doelbewuster, en met beleid, met je uitgaven omspringt. Nu de Aziatische crisis in volle hevigheid aan de gang is, worden ze daar ook met hun neuzen op het consuminderen gedrukt. Ze hebben in China nog geen woord voor consuminderen uitgevonden, maar ze kennen daar wel een gezegde dat goed weergeeft wat je door consuminderen kan bereiken: ‘spaarzaamheid betekent onafhankelijkheid’. Als het om spaarzaamheid gaat zeggen ze in Japan zelfs ‘Zoek voor jezelf een spaarzame vrouw, al moest je daarbij een paar schoenen verslijten’. Waarmee maar weer wordt aangegeven dat ook in Japan de vrouwen over het algemeen geacht worden een gat in de hand te hebben. Maar het voordeel van consuminderen wordt dus wel gezien.

Nu was li, ‘voordeel’, vroeger een beetje een vies woord in China. Toen een oude koning eens aan Mencius vroeg welk voordeel hij had aan het bezoek van deze oude wijsgeer, mopperde Mencius waarom de koning het nou weer zo nodig over voordeel moest hebben. Als hij al meteen aan voordeel dacht, wat zou er dan wel niet met zijn land gebeuren als zijn onderdanen dat ook eens gingen doen? Voor je het weet is iedereen elkaar aan het bestelen om maar voordeel te behalen. Het jagen op persoonlijk voordeel mag niet het streven zijn van je optreden, vond Mencius.

Maar, vroeg ik mezelf af, als voordeel niet een goede motivatie is voor je handelen, en dus ook niet voor consuminderen, wat is het dan wel? Het leek mee een aardige vraag om aan de Yijing voor te leggen. Ik vroeg aan de Yijing ‘Wat is je visie op consuminderen?’ en het boek wees me op hoofdstuk 8, ‘Samenwerken’. Eigenlijk had ik verwacht hoofdstuk 41, ‘Vermindering’, of 60, ‘Beperking’ als antwoord te krijgen, maar nee, volgens het oude Chinese boek draait consuminderen om samenwerken. Daar zit wat in. Wie spaarzaamheid wil betrachten zonder hulp en steun van anderen, krijgt het moeilijk, want minder uitgeven betekent vaak meer delen, hoe tegenstrijdig dit wellicht ook klinkt. Het is een Chinees principe: wat je zaait, zul je ook oogsten. Die wisselwerking heb je nodig, als je zuinig wilt leven zonder gierig te zijn. Consuminderen is iets anders dan minder geld uitgeven door je af te zonderen. Consuminderen vereist coöperatie.

Het Chinese woord voor samenwerking is bi. Wie bi is, weet blijkbaar wat samenwerken is. Maar de Yijing auteur Alfred Huang zegt over bi: Vroeger was een bi de eenheid van het Chinese huishoudregistratiesysteem. Een groep van vijf huishoudens vormde een eenheid, een bi, en binnen elke bi werd een hoofd aangewezen die de verantwoording droeg voor het reilen en zeilen in de omgeving. Een bi symboliseert hiermee de hechte band tussen mensen in een gemeenschap. Een bi is de voorganger van wat later de gongshe zou worden, de commune, waarbinnen hele dorpen vallen onder een centraal bestuur, dat de dagelijkse gang van zaken tot in detail bepaalt.

Dat het model van de commune achterhaald is, is niets nieuws. Maar het idee voor samenwerking begint bij consuminderende Westerlingen wel steeds meer door te dringen, kijk bijvoorbeeld maar eens naar het Lets-systeem of soortgelijke initiatieven. Hierdoor leer je dat spaarzaamheid ook léuk kan zijn, en meer oplevert dan winst alleen. Met de leukigheid moet je trouwens wel een beetje oppassen. Want, zoals de Chinezen zeggen, ‘het brengt weinig winst als men gaat slapen om de kaars te sparen, wanneer men daardoor tweelingen verwekt”.